top of page
Zoeken

Wat is een Leidse deken?

Bijgewerkt op: 20 jan.

Door Mienke Simon Thomas


Tijdens onze Eerste Leidse Dekendag, op 19 november j.l., kwam de terechte vraag naar voren: wat is nu eigenlijk een “Leidse deken”. Wat karakteriseert zo’n deken, hoe onderscheidt hij zich van andere dekens, vooral van de Brabantse wollen dekens? Een poging tot een definiering van een Leidse deken is dus op z’n plaats.


Etiketten

Een Leidse deken is natuurlijk het makkelijkst te herkennen aan het etiket van een Leidse dekenfabriek. Aangezien deze fabrieken pas vanaf de jaren dertig begonnen met het opnaaien van geweven etiketten, kunnen geëtiketteerde Leidse dekens alleen afkomstig zijn van de NV Fabriek van Wollen Dekens v.h. J. Scheltema Jzn, de NV Koninklijke fabriek van Wollen Dekens v.h. J.C. Zaalberg en zoon of van de Leidse Textielfabrieken Gebr. Van Wijk & Co NV. Alle andere, ooit wel dertig dekenfabrieken in Leiden, waren in 1933 gesloten. Maar helemaal waterdicht is het identificeren van de dekens aan de hand van etiketten niet, want de dekenfabrieken in Leiden (en ook die in Brabant) produceerden ook voor grote warenhuizen als Vroom & Dreesmann en de Bijenkorf en dan werd er op het etiket soms slechts de naam van de winkel genoemd. Ook produceerden de Leidse fabrieken dekens onder andere merknamen, zoals dekenfabriek Van Wijk, die ook Crone-Steyn- en Gravesteyn-dekens maakte. Op de etiketten van deze merken is Leiden wel als plaats van herkomst ingeweven.



Dekenloodjes

Voordat de Leidse dekenfabrieken geweven etiketten gingen gebruiken, werden sedert 1732, na het goedkeuren van de dekens in de baai- en dekenhal, dekenloodjes aan de dekens bevestigd. Deze dekens werden toen nog als huisnijverheid ambachtelijk geweven. De loodjes zijn natuurlijk in de loop der jaren losgeraakt en verloren gegaan. Later werd soms ook een kartonnen label aan de dekens bevestig, maar die zijn natuurlijk ook verdwenen. Overigens is de kans dat er een deken van voor 1930 boven water komt helaas heel erg klein. Maar daar blijven we wel op hopen. Slechts in enkele Nederlandse musea worden nog exemplaren van honderd jaar of ouder bewaard.


Wol

Leidse dekens zijn gemaakt van honderd procent schapenwol. Aanvankelijk was dat bij voorkeur ‘blootwol’ (wol van geslachte schapen), later raakte scheerwol steeds meer in zwang. In Leiden werd vanaf de veertiende eeuw al geen wol van Nederlandse schapen meer verwerkt. De wolwevers importeerden hun wol uit Engeland. In de vorige eeuw werden Zuid-Amerika en Nieuw Zeeland de belangrijkste importgebieden, al probeerde de in 1920 opgerichte Nederlandse Wolfederatie het gebruik van wol van inheemse schapen te stimuleren.


Weefsel

Het weefsel van de Leidse dekens kenmerkt zich door een dunne, vrij stevig getwiste ketting en een veel dikkere en losser getwiste inslag. De ketting is meestal wit, de inslag kan alle kleuren hebben. Er werd gekaarde wol met middellange vezels gebruikt. Qua gewicht is de verhouding tussen de ketting en de inslag 1 : 3. Leidse dekens zijn in verschillende bindingen geweven: een eenvoudige plat- of linnenbinding en meer complexe keperbindingen. Er werd vaak een onderscheid gemaakt tussen de dunnere, enkel geweven zomerdekens en de dikkere, in dubbelbinding uitgevoerde winterdekens. Tot ver in de twintigste eeuw maakte men in Leiden vooral effen dekens, naast dekens met ingeweven strepen in de kleuren rood, blauw, zwart en geel. Vanaf het einde van de negentiende eeuw namen de Leidse dekenfabrieken Jacquardmachines in gebruik. Vanaf dat moment konden ook dekens met complexe patronen, zoals bloemen en medaillons geweven worden.


Afwerking

Na het weven werden de dekens door vollen enigszins gekrompen, waardoor dus een hechter weefsel ontstond. Dit procedé is te vergelijken met vilten. Daarna volgde het ruwen. Dit deel van het productieproces kenmerkt de Leidse deken in het bijzonder, die door het ruwen wel drie keer zo dik werd. De losgetrokken vezels vormden aan weerszijden van het eigenlijke weefsel een luchtige, dikke, warme laag. Tot in de jaren 60 gebeurde dit ruwen met natuurlijke kaardenbollen, die met miljoenen werden ingevoerd uit Frankrijk. In de laatste tien tot vijftien jaar van de Leidse dekenfabricage ruwde men met metalen borstels. De dekens werden als een hele lange lap geweven en pas na het vollen en ruwen in losse dekens van circa twee meter geknipt. De korte zijden werden gefestonneerd. Dit is een typisch Nederlands procedé. In andere landen werden de dekens eigenlijk altijd afgebiesd met een brede band.

Patronen

Aan de hand van de patronen is nauwelijks na te gaan van welke Leidse fabriek een deken afkomstig is. De dekenfabrieken hadden amper een eigen stijl. Eerder het tegenovergestelde is het geval, nieuwe ideeën werden veelal onmiddellijk door de concurrent overgenomen. Overigens zijn de patronen van de Leidse dekens ook niet te onderscheiden van die van de Brabantse dekens. De belangrijke merken daar zijn AaBe en Pessers & van Zuylen uit Tilburg en Didas en Hatéma uit Helmond. Een uitzondering vormen de felgekleurde dekens met grote grafische patronen, die dekenfabriek Van Wijk gedurende de laatste tien jaar maakte. Dit zijn unieke ontwerpen van Henk van Reek.

Ten slotte moet dus geconcludeerd worden dat er wat wol, binding en nabewerking, en zelfs wat patroon betreft, weinig tot geen onderscheid bestaat tussen Leidse en Brabantse dekens. De Leidse dekens werden wel eerder ontwikkeld, wat de voornaamste reden is dat dikke, tweezijdig geruwde dekens tot in het begin van de vorige eeuw meestal “Leidse dekens” werden genoemd.





31 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven
bottom of page